|
Als je deze enorme lijst op deze pagina ziet
zou je denken dat deze periode juist een bloeitijd voor de NS zou
moeten zijn. Sinds de waterstaatperiode (1860-1880) zijn er immers
niet meer zoveel stations in zo'n betrekkelijk korte tijd gebouwd.
Niets is minder waar... Dit is de periode van sloop en vervanging.
Werd de eerste terugval in de jaren twintig en dertig vooral gekenmerkt
door het zeer geringe aantal stations wat werd gebouwd, de tweede
terugval gaat over de kwaliteit van de vele stations die in deze
periode uit de grond werden gestampt. Talloze stations werden gesloopt
en vervangen door simpele gebouwtjes volgens een standaard-ontwerp,
meestal van architect Douma. Echt dramatisch werd het pas toen een
groot aantal stations (meestal 4de of 5de Klasse Waterstaat) werden
gesloopt en er alleen een abri voor in de plaats kwam. Uit deze
tijd stammen ook Den Haag Centraal en Utrecht Centraal. Beide stations
laten overduidelijk zien hoe het niet moet. Het meest trieste aan
deze lijst is dat ik me nog beperkt heb....Er zijn nog veel meer
voorbelden, zoals de vele onbemande voorstadhaltes die in die tijd
gebouwd zijn. Verder zijn alle Zoetermeerstations buiten beschouwing
gelaten.
Dat er in deze periode zoveel stations gesloopt
zijn had een aantal redenen. Door de toegenomen welvaart in de jaren
zestig konden veel meer mensen zich een auto veroorloven en kozen
steeds minder mensen voor de trein. Bovendien sloten vanaf het einde
van de jaren zestig de kolenmijnen in Zuid-Limburg. Hierdoor verviel
het kolenvervoer, een van de pijlers van het Nederlandse goederenvervoer.
De spoorwegen waren diep in de rode cijfers geraakt. Om alle verliezen
het hooft te kunnen bieden werd het plan "Spoor naar 75"
opgesteld. Naast de invoering van een nieuwe huisstijl (de bekende
gele treinkleur én de invoering van de bekende pictogrammen)
omvatte het plan ook een compleet nieuwe opzet van de dienst-regeling.
Er reed altijd minimaal één trein per uur. Uitgebreide
wachtkamers waren dus niet meer nodig ( de diverse klassen-wachtkamers
waren overigens al in de jaren dertig afgeschaft), waardoor veel
vierkante meters onbenut bleven.
Bijna alle negentiende-eeuwse stations hadden één
of meerdere woningen voor de stationschef en eventueel overig personeel.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden geen stations met
dienstwoningen meer gebouwd, omdat dit niet meer nodig werd bevonden.
In het midden van de jaren zestig werden de zogenoemde rayons ingevoerd
en werd de functie van stationschef opgeheven. De woningen kwamen
leeg te staan. Door de verliezen in de jaren zestig was er geen
geld meer om de vele leegstaande vierkante meters te onderhouden.
Het begrip hergebruik moest toen nog worden uitgevonden
De derde reden is jammergenoeg ook de meest bedenkelijke. In de
jaren zeventig gold dat treinen comfortabel moesten zijn en een
treinkaartje betaalbaar, anders bleven de reizigers weg. Het station
werd echter het sluitstuk van de begroting, althans zo leek het.
Met name voor de kleinere stations moest men blij wezen dat er kaarverkoop
was en dat er een overdekte en verwarmde wachtruimte was. Het kon
echter nog veel gekker. Voor de kleinste categorie stations vond
men een glazen wachthokje meer dan voldoende.
In 1972 stelde de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg
(tegenwoordig de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap
en Monumenten (RACM) stelde in 1972 voor om zo'n 100 stations te
plaatsen op de monumentenlijst. De NS vond dit aantal veel te hoog
en wist dit terug te brengen naar 20 met nog eens twee op de voorlopige
lijst. Overigens stond het station van Appingedam óók
op de monumentenlijst maar werd toch gesloopt. Plaatsing op de monumentenlijst
betekent dus niet altijd garantie dat het niet gesloopt zal worden
|
ABCOUDE |
HEEMSKERK |